Nieuws
BRUSSELSE ONDERWIJSPLANNEN ZIJN NIET BIZAR :
06 juni 2011
BRUSSELSE ONDERWIJSPLANNEN ZIJN NIET BIZAR :
ZE ZIJN ONGRONDWETTELIJK
Vlaams onderwijsminister Pascal Smet uit zijn verwondering over het feit dat het Brussels Hoofdstedelijk gewest zelf plannen heeft uitgedokterd om te verhelpen aan het tekort aan voldoende plaatsen in de Brusselse scholen.
Volgens Pascal Smet kan de Brusselse Hoofdstedelijke regering, binnen de taskforce onderwijs, hoogstens een coördinerende rol waarnemen om de behoeften en de middelen beter op elkaar afgestemd te krijgen, maar dient het daar dan ook bij te blijven.
Aan het feit dat de noden in Brussel bijzonder hoog zijn kan niet worden voorbijgegaan. De bevolkingstoename is explosief en er is, in Brussel, globaal genomen, Franstalig en Nederlandstalig net samen beschouwd, een ontegensprekelijk tekort aan voldoende plaats in de scholen. Tegelijk gaat dit onderwijs er kwalitatief op achteruit, met een aanzienlijke uitstroom aan onvoldoende gekwalificeerde werkkrachten tot gevolg en een hardnekkige werkloosheid die in schril contrast staat met de rest van de economisch welvarende Vlaamse ruit.
De verpaupering slaat toe, de stadsvlucht valt niet te stuiten en de bevolking die overblijft is, mede omwille van haar etnische samenstelling, jonger dan ooit. Wat, ondanks de tanende kwaliteit van het onderwijs, de nood aan bijkomende scholen verklaart.
De Brusselse Hoofdstedelijke regering zit dus wel degelijk met een probleem van formaat en ze probeert, althans dit stelt ze, om er aan te verhelpen. Alleen gebruikt ze daartoe de verkeerde middelen.
Onderwijs is immers een gemeenschapsbevoegdheid en behoort niet tot het bevoegdheidspakket van de Brusselse Hoofdstedelijke regering die zich, grondwettelijk, enkel met gewestmateries mag inlaten. “Gewestscholen” zoals wel eens geschreven wordt, zijn dus, theoretisch, uit den boze .
Charles Picqué, de minister-voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, laat dan ook zorgvuldig in de media optekenen dat hij het initiatief om 3.500 plaatsen bij te maken in het Brussels kleuter- en basisonderwijs juridisch heeft laten onderzoeken en dat het bij een eenmalige operatie blijft, bedoeld om een noodtoestand te voorkomen. Maar is dit allemaal wel zo onschuldig als het wordt voorgesteld ?
Ondervraagd door de VRT stelt Minister Smet dat het Nederlandstalig onderwijs in Brussel geen behoefte heeft aan de bijkomende middelen aangereikt door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit is ook zo. Vlaanderen trok enkele weken geleden nog 18 miljoen € extra uit voor de Brusselse scholen. Bovendien stelt het Vlaams Belang al langer dat er voor Nederlandstaligen in Brussel eigenlijk geen plaatstekort is. Op voorwaarde dat de beschikbare plaatsen bij voorrang naar onze eigen kinderen zouden gaan. Een zorg die toch prioritair zou moeten zijn voor de Vlaamse gemeenschap in Brussel. Maar deze laatste houdt er een andere mening op na, waardoor GOK- en andere inschrijvingsmodaliteiten tot gevolg hebben dat een plaats voor elk Vlaams kind in de school van zijn keuze niet mogelijk is omdat een aanzienlijk gedeelte van de beschikbare plaatsen worden voorbehouden aan anderstaligen.
Het capaciteitsprobleem, dat in de eerste plaats een probleem is van verkeerde invulling van de bestaande plaatsen, heeft dus, in wezen, enkel betrekking op het aanvullen, door de Vlaamse gemeenschap en op haar kosten, van het aantal plaatsen die ter beschikking worden gesteld van anderstaligen. En die anderstaligen stromen in ons onderwijs binnen, niet omdat ze Vlaming willen worden, die tijd is al lang verstreken, niet omdat de kwaliteit van dit onderwijs zo verschrikkelijk superieur is, dat behoort helaas ook al tot het verleden, maar gewoonweg omdat het Franstalig onderwijs nalaat om zijn elementaire verplichtingen qua capaciteit én kwaliteit na te komen.
Franstalige scholen bouwen in Brussel komt immers, naast de gemeenten, toe aan de Franstalige gemeenschap. Maar deze gemeenschap, die wel staat te zwaaien met het –ook al ongrondwettelijk- vaandel “Fédération Wallonie-Bruxelles”, laat schromelijk na om haar plichten te vervullen. En daar waar de Franstalige gemeenschap in gebreke blijft, stopt het hoofdstedelijk gewest graag centen toe. Van elke 100 € die naar de Franse gemeenschap gaan belanden er 80 bij de Cocof en komen er 20 in handen van de VGC terecht, die, in casu, projecten mag komen aandragen om 700 bijkomende plaatsen in het Nederlandstalig onderwijs te laten financieren door het Hoofdstedelijk gewest.
Doet de Hoofdstedelijk gewest dit nu echt enkel en alleen om de bestaande noden te lenigen ? Uiteraard niet. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wil graag een “région à part entière” zijn, ook en vooral in deze taal, en gedraagt zich, waar het ook maar kan, alsof het dit reeds zou zijn. Daarom knabbelt het aan de gemeenschapsbevoegdheden, niet alleen onderwijs, maar ook kinderopvang en gezondheid moeten er aan geloven, zelfs al heeft het daar de financiële middelen niet toe. De bedoelingen van de Brusselse hoofdstedelijke regering zijn dus hoofdzakelijk en in de eerste plaats institutioneel. Al de rest is bijzaak.
Dominiek LOOTENS
0475/ 66 54 03
dlootens@bruparl.irisnet.be
Categorie: